Dante Alighieri: La Divina Commedia
Inferno • Canto XXVI
Godi, Fiorenza, poi che se’ sì grande
che per mare e per terra batti l’ali,
e per lo ’nferno tuo nome si spande!
Tra li ladron trovai cinque cotali
tuoi cittadini onde mi ven vergogna,
e tu in grande orranza non ne sali.
Ma se presso al mattin del ver si sogna,
tu sentirai, di qua da picciol tempo,
di quel che Prato, non ch’altri, t’agogna.
E se già fosse, non saria per tempo.
Così foss’ ei, da che pur esser dee!
ché più mi graverà, com’ più m’attempo.
Noi ci partimmo, e su per le scalee
che n’avea fatto iborni a scender pria,
rimontò ’l duca mio e trasse mee;
e proseguendo la solinga via,
tra le schegge e tra ’ rocchi de lo scoglio
lo piè sanza la man non si spedia.
Allor mi dolsi, e ora mi ridoglio
quando drizzo la mente a ciò ch’io vidi,
e più lo ’ngegno affreno ch’i’ non soglio,
perché non corra che virtù nol guidi;
sì che, se stella bona o miglior cosa
m’ha dato ’l ben, ch’io stessi nol m’invidi.
Quante ’l villan ch’al poggio si riposa,
nel tempo che colui che ’l mondo schiara
la faccia sua a noi tien meno ascosa,
come la mosca cede a la zanzara,
vede lucciole giù per la vallea,
forse colà dov’ e’ vendemmia e ara:
di tante fiamme tutta risplendea
l’ottava bolgia, sì com’ io m’accorsi
tosto che fui là ’ve ’l fondo parea.
E qual colui che si vengiò con li orsi
vide ’l carro d’Elia al dipartire,
quando i cavalli al cielo erti levorsi,
che nol potea sì con li occhi seguire,
ch’el vedesse altro che la fiamma sola,
sì come nuvoletta, in sù salire:
tal si move ciascuna per la gola
del fosso, ché nessuna mostra ’l furto,
e ogne fiamma un peccatore invola.
Io stava sovra ’l ponte a veder surto,
sì che s’io non avessi un ronchion preso,
caduto sarei giù sanz’ esser urto.
E ’l duca che mi vide tanto atteso,
disse: «Dentro dai fuochi son li spirti;
catun si fascia di quel ch’elli è inceso».
«Maestro mio», rispuos’ io, «per udirti
son io più certo; ma già m’era avviso
che così fosse, e già voleva dirti:
chi è ’n quel foco che vien sì diviso
di sopra, che par surger de la pira
dov’ Eteòcle col fratel fu miso?».
Rispuose a me: «Là dentro si martira
Ulisse e Dïomede, e così insieme
a la vendetta vanno come a l’ira;
e dentro da la lor fiamma si geme
l’agguato del caval che fé la porta
onde uscì de’ Romani il gentil seme.
Piangevisi entro l’arte per che, morta,
Deïdamìa ancor si duol d’Achille,
e del Palladio pena vi si porta».
«S’ei posson dentro da quelle faville
parlar», diss’ io, «maestro, assai ten priego
e ripriego, che ’l priego vaglia mille,
che non mi facci de l’attender niego
fin che la fiamma cornuta qua vegna;
vedi che del disio ver’ lei mi piego!».
Ed elli a me: «La tua preghiera è degna
di molta loda, e io però l’accetto;
ma fa che la tua lingua si sostegna.
Lascia parlare a me, ch’i’ ho concetto
ciò che tu vuoi; ch’ei sarebbero schivi,
perch’ e’ fuor greci, forse del tuo detto».
Poi che la fiamma fu venuta quivi
dove parve al mio duca tempo e loco,
in questa forma lui parlare audivi:
«O voi che siete due dentro ad un foco,
s’io meritai di voi mentre ch’io vissi,
s’io meritai di voi assai o poco
quando nel mondo li alti versi scrissi,
non vi movete; ma l’un di voi dica
dove, per lui, perduto a morir gissi».
Lo maggior corno de la fiamma antica
cominciò a crollarsi mormorando,
pur come quella cui vento affatica;
indi la cima qua e là menando,
come fosse la lingua che parlasse,
gittò voce di fuori e disse: «Quando
mi diparti’ da Circe, che sottrasse
me più d’un anno là presso a Gaeta,
prima che sì Enëa la nomasse,
né dolcezza di figlio, né la pieta
del vecchio padre, né ’l debito amore
lo qual dovea Penelopè far lieta,
vincer potero dentro a me l’ardore
ch’i’ ebbi a divenir del mondo esperto
e de li vizi umani e del valore;
ma misi me per l’alto mare aperto
sol con un legno e con quella compagna
picciola da la qual non fui diserto.
L’un lito e l’altro vidi infin la Spagna,
fin nel Morrocco, e l’isola d’i Sardi,
e l’altre che quel mare intorno bagna.
Io e ’ compagni eravam vecchi e tardi
quando venimmo a quella foce stretta
dov’ Ercule segnò li suoi riguardi
acciò che l’uom più oltre non si metta;
da la man destra mi lasciai Sibilia,
da l’altra già m’avea lasciata Setta.
“O frati”, dissi “che per cento milia
perigli siete giunti a l’occidente,
a questa tanto picciola vigilia
d’i nostri sensi ch’è del rimanente
non vogliate negar l’esperïenza,
di retro al sol, del mondo sanza gente.
Considerate la vostra semenza:
fatti non foste a viver come bruti,
ma per seguir virtute e canoscenza”.
Li miei compagni fec’ io sì aguti,
con questa orazion picciola, al cammino,
che a pena poscia li avrei ritenuti;
e volta nostra poppa nel mattino,
de’ remi facemmo ali al folle volo,
sempre acquistando dal lato mancino.
Tutte le stelle già de l’altro polo
vedea la notte, e ’l nostro tanto basso,
che non surgëa fuor del marin suolo.
Cinque volte racceso e tante casso
lo lume era di sotto da la luna,
poi che ’ntrati eravam ne l’alto passo,
quando n’apparve una montagna, bruna
per la distanza, e parvemi alta tanto
quanto veduta non avëa alcuna.
Noi ci allegrammo, e tosto tornò in pianto;
ché de la nova terra un turbo nacque
e percosse del legno il primo canto.
Tre volte il fé girar con tutte l’acque;
a la quarta levar la poppa in suso
e la prora ire in giù, com’ altrui piacque,
infin che ’l mar fu sovra noi richiuso».
DE HEL - ZANG XXVI
(Vertaling Jules Grandgagnage, 2025)
licentie CC BY-NC-ND 4.0
Verheug u, Florence, want u bent zo geweldig
dat u uw vleugels uitslaat over zee en land,
en uw naam zich door de hel verspreidt!
Onder de dieven vond ik vijf burgers
van u waar ik mij voor schaam, en dezen
doen uw goede naam niet hoger stijgen.
Maar zo de waarheid uit ochtendromen blijkt,
dan zult u binnen korte tijd voelen
Wat Prato, als geen ander, voor u verlangt.
't Zou niet te vroeg zijn als het nu gebeurde.
Was het maar zo, als het toch moet zijn!
Want het wordt zwaarder naarmate ik ouder word.
We gingen op weg, de trappen op: de blokken
die ons eerder hadden geleid bij 't afdalen,
beklom de Gids nu weer en trok mij mee.
En het eenzame pad volgend,
tussen de rotsen en richels van de rotswand,
kon zonder hand de voet niet verder komen.
Toen rouwde ik, en nu rouw ik opnieuw
als ik mijn geest richt op wat ik zag,
en hem meer beteugel dan ik gewend ben,
zodat hij niet kan rennen, tenzij geleid
door deugd opdat ik mezelf het geschenk
van goede ster, of beters, niet kan misgunnen.
Zoveel de landman (die op de heuvel rust
in de tijd dat Hij die de wereld verlicht
zijn gelaat minder voor ons verborgen houdt
terwijl de vlieg plaats maakt voor de mug)
de vuurvliegjes ziet in het dal,
misschien daar waar hij ploegt en oogst:
Van zoveel lichtjes schitterde alles
in de achtste greppel, wat ik merkte
toen ik kwam waar de diepte verscheen.
En zoals hij, die zich wreekte met de beren,
de wagen van Elia zag vertrekken
toen de paarden naar de hemel klommen,
zodat hij het niet met de ogen kon volgen,
en niets anders zag dan alleen de vlam
die als een klein wolkje opsteeg:
zo bewoog zich ieder licht door de geul
der gracht, zodat geen ervan zijn buit liet zien:
een zondaar borg zich in elke vlam.
Vanop de brug stond ik toe te kijken,
en had ik me niet aan een rots vastgegrepen,
dan zou ik zijn gevallen zonder een duw.
En de Leider, die mij zo vol spanning zag,,
riep uit: "In het vuur zijn de geesten;
ieder gehuld met dat met waarmee hij brandt."
"Mijn Meester," antwoordde ik, "door U te horen,
ben ik zekerder van mijn vermoeden
dat het zo kan zijn, en ik wilde u al vragen
Wie bevindt zich in dat gespleten vuur,
dat boven uit de brandstapel lijkt op te stijgen
waarop Eteocles en zijn broer werden gelegd?"
Hij antwoordde mij: "Binnen zijn er de gekwelden
Odysseus en Diomedus, en samen rennen ze
naar wraak zoals vroeger gedreven door woede.
En daar, in hun vlam, betreuren ze de hinderlaag
van het paard, dat de poort ontsloot
waar het edele zaad der Romeinen uit vloeide.
Daar wordt de list beweend, en daarbinnen,
treurt Deidamia, gestorven, nog steeds om Achilles,
en voor het Palladium wordt boete gedaan."
"Als zij, binnen in die vlammen, kunnen spreken,"
zei ik, "meester, smeek ik u, en hersmeek
tot elk gebed er duizend waard is,
dat U mij niet verbiedt te wachten
totdat de gehoornde vlam hierheen komt,
U ziet hoe ik in verlangen naar haar buig!"
En hij zei tegen mij: "Prijzenswaardig
is je bede en daarom aanvaard ik het;
maar laat uw tong standvastig zijn.
Laat mij spreken; wat jij wil heb ik begrepen,
en daar zij Grieken waren, zouden zij
misschien je toespraak kunnen verachten."
Toen de vlam dat punt had bereikt,
Waar het mijn Leider tijd en plaats de juiste leek,
hoorde ik hem op deze manier spreken:
"O jullie, die tweevoudig zijn in één vuur,
als ik jullie verdienstelijk was toen ik nog leefde,
of ik jullie nu veel of weinig diende
toen ik in de wereld was, schreef ik verheven verzen,
ga dan niet van hier, maar laat een van jullie zeggen
waar hij, verloren, heenging om te sterven."
De grootste hoorn van de oude vlam
begon in te storten, mompelend,
zoals datgene wat de wind vermoeit;
Daarna bewoog de top heen en weer
bewoog alsof het de tong was die sprak,
Hij uitte een stem en zei: "Toen ik
van Circe was vertrokken, die mij verborgen hield
meer dan een jaar daar in de buurt van Gaeta,
voordat Aeneas dat zo genoemd had,
kon noch genegenheid voor mijn zoon, noch eerbied
voor mijn oude vader, noch de gepaste liefde
die Penelope gelukkig had moeten maken
in mij het verlangen overwinnen
dat ik de wereld diende te ervaren,
en de ondeugd en dapperheid van de mensheid;
Maar ik zette koers naar de open zee
met één enkel schip, en dat kleine gezelschap
dat mij nooit in de steek had gelaten.
Ik zag beide kusten tot aan Spanje,
tot aan Marokko en het eiland Sardinië,
En de andere die door die zee worden omringd.
Ik en mijn gezelschap waren oud en traag
toen we bij die nauwe doorgang aankwamen
waar Hercules zijn bakens had uitgezet,
opdat de mens niet verder zou gaan;
Aan de rechterkant achter mij had ik Sevilla,
aan de andere kant had ik Ceuta al verlaten.
"O broeders, die honderdduizend gevaren trotserend,
naar het westen zijn gekomen," zei ik,
"Wil niet aan deze zo korte wake
die jullie zintuigen nu nog rest,
de ervaring onthouden, volgend op de zon,
van de wereld zonder mensen.
Denk aan het zaad waaruit jullie zijn ontsproten;
Jullie zijn niet geschapen om te leven als beesten,
maar voor het nastreven van deugd en kennis."
Zo gretig maakte ik mijn metgezellen,
met deze korte aansporing, voor de reis,
dat ik ze toen nauwelijks had kunnen tegenhouden.
En nadat zich de achtersteven naar de ochtend keerde,
maakten wij vleugels van roeiriemen voor deze dwaze vlucht
steeds meer aan bakboordzijde afstand winnend.
Al de sterren van de andere pool
zag de nacht, en de onze zo laag
dat hij net boven de zeespiegel uitkwam.
Vijf keer opnieuw ontstoken en weer uitgedoofd
was het licht onder de maan,
nadat we de hoge pas waren binnengegaan,
toen er voor ons een berg verscheen, vaag
vanuit de verte, en hij leek me zo hoog
zoals ik er nog nooit een had gezien.
Onze vreugde veranderde al snel in tranen;
want het nieuwe land baarde een wervelwind,
die op de voorsteven van het schip sloeg.
Driemaal keerde hij het rond met al het water,
de vierde keer deed hij de achtersteven rijzen
en de boeg dalen, zoals het een Andere behaagde,
totdat de zee zich boven ons weer sloot."